De schoenen knelden maar ze stonden haar goed. Het hadden eigenlijk rijglaarsjes moeten worden, dat vond Distel een onschuldig type schoen. Zowel kleuters als oude vrouwen konden er goed uitzien in rijglaarsjes. Distel zat precies tussen die twee categorieën in. Maar het leer was voor rijglaarsjes ontoereikend gebleven: er was niet genoeg van. En dus droeg Distel nu mocassins. Het leer, geheel met de hand vervaardigd, was geel.
Iedere nieuwe fase in het leven vraagt om een nieuw paar schoenen. Distel was een tijdje terug verlaten door een man, zo gaan die dingen. De man zei dat hij veel van Distel hield en dat hij voorgoed bij haar wilde blijven. Kort daarna vertrok hij toch. Distel ontdekte dat ze verlaten was voor een twintigjarig meisje uit Georgië dat geen Nederlands kon. Van haar zus mocht ze voor volwassen vrouwen niet het woord ‘meisje’ gebruiken. Maar geen enkele titel had dit wicht kunnen redden van haar eigen ontoereikendheid. Haar profielfoto was het bewijs. In haar ogen zag Distel de twijfel van het prooidier.
De man, het moet gezegd worden, was een complex type. Hij was echter zeer aantrekkelijk en dus had Distel hem al zijn eigenaardigheden vergeven. Zijn vermoeiende, decadente eigenaardigheden: zijn angst voor vraagtekens en zijn puberale geflirt met de dood. Wanneer de man Distel ophaalde van het station wachtte hij niet in de kiosk, maar op het perron. Zodra Distel was uitgestapt rende hij op haar af, greep haar vast en dreigde om haar voor de trein te werpen. O, dat goddelijke gevoel – wanneer een knappe man dreigt om je voor de trein te werpen! De doodsangst deed Distel giechelen van genot. Alsof ook zij weer een puber was. Maar de man zou Distel nooit werkelijk voor de trein werpen. Toch had Distel liever op die manier afscheid genomen, want ze zou zweren dat haar vervanging door een meisje uit Georgië meer pijn deed dan sterven op het spoor. Dat was, althans, haar hypothese.
Ja, de schoenen knelden. En het had geregend. De weg naar de supermarkt was een parcours van diepe plassen, geflankt door modderpaden en vochtige grasvelden. Distel overwoog om andere schoenen aan te trekken: mogelijk zou het water het leer van haar mocassins doen uitzetten. Het zou de schoenen comfortabeler maken, maar ook lelijker. Distel hield niet van lelijke dingen.
Er zijn genoeg mensen die excuses maken voor onooglijkheden, zolang de objecten in kwestie maar functioneel zijn. Of goedaardig. Distel had honderdmaal liever iets beeldschoons dat pijn deed. Zo bracht elk mens zijn eigen offer in deze wereld.
In het laatste jaar van hun relatie had de man verontrustende dreigementen uitgesproken. Nee, hij zou niet voor de trein springen: daar was hij veel te ijdel voor. Het was voor hem belangrijk dat hij, wanneer zijn tijd kwam, een open kist zou hebben, zodat alle vrouwen in zijn leven hem gedag konden kussen. Die vrouwen waren zijn moeder, zijn zus en zijn ex-vriendinnen, drie in totaal. Vier als je Distel ook meerekende. Waarom wil je zo graag dat vrouwen je gedag kussen, vroeg Distel hem eens, maar daar kreeg ze geen concreet antwoord op. De man wilde wat hij wilde. Zijn verlangens waren uiteenlopend: hij zou wel eens een kind willen ontvoeren ‘voor de kick’, hij zou wel eens een hond willen verdrinken. Op de momenten dat de man deze verlangens deelde, zei Distel hem dat hij misschien eens met iemand moest gaan praten. Daarop zei de man altijd dat hij helemaal niet wílde praten. Hij wilde een kind ontvoeren of een hond verdrinken: luisterde er dan helemaal nooit iemand naar hem?
Wanneer het leven hem ondraaglijk zou worden, zei de man, zou hij paddenstoelen gaan plukken in het bos. Hij zou er een ware maaltijd van maken, de paddenstoelen zou hij wokken in olie en wegslikken met een glaasje absint. Zo zou de man intact sterven. Van de vergiftiging zou hij hooguit een beetje geel zien.
Distel nam het risico. Ze hield de mocassins aan en trotseerde de regen. Bij iedere stap: de vrees dat ze haar nieuwe schoenen onherroepelijk zou beschadigen. Geel is een kwetsbare kleur. Maar de schoenen waren weerbarstiger dan Distel van te voren vermoedde.
Zelfs het meisje uit Georgië had de man niet kunnen redden. Hoe ouder hij werd, hoe meer hij dweepte met zijn totaal misplaatste melancholie. In het bos had hij vijf groene knolamanieten geplukt. Thuis had hij er soep van getrokken – een wokgerecht stond hem toch niet aan – en na een week vol reusachtige buikkrampen werd hij zijn droefgeestige inborst, eindelijk, meester. Hij hield op met ademen.
De dag na de uitvaartdienst had zijn moeder een foto gepost. Het was de laatste foto die ze bij leven van hem had gemaakt, samen met het meisje uit Georgië was hij blijven eten. Volgens zijn moeder was de man erg gelukkig geweest, die dag. Haar post kreeg veel reacties. Alle mensen zeiden dat de man zo mooi was op de foto, in zijn donkerste colbert, maar als je inzoomde op zijn handen kon je zijn aangevreten nagels zien. Tot bloedens toe verwoestte hij zichzelf. Zij die meenden verbaasd te zijn, hadden niet goed opgelet.
De nieuwe schoenen van Distel waren niet geel zoals boterbloemen geel zijn. Het leer had een beduidend minder opvallende tint: in een bepaald licht had het zelfs iets grijzigs. In de stenen die Distel vroeger in warme vakantielanden vond had ze dit geel eerder gezien, als kind kon ze nog met onverdeelde aandacht naar de meest onbenullige dingen kijken. In die tijd koesterde ze nog veren en schelpen.
Miste ze hem? Nee, het viel wel mee. Distel kon niet houden van mannen die alleen liefde zochten om iets in zichzelf te verplegen. Deze mannen leven als kameleons die aldoor zoeken naar een volgende tak om zich aan vast te klampen. Een turbulente metgezel. Door de jaren heen had Distel de ogen van bange mannen leren herkennen. Ze zag ze in de zijspiegels van auto’s en door de ruiten van kroegen op doordeweekse avonden. Van ongelukkige mannen word je het soort vrouw dat tuurt door sleutelgaten. Hun genegenheid is slecht voor je nachtrust, ja, het is af te raden.
In de supermarkt keken de mensen naar Distels voeten. Dat deden ze vaker, Distel had een goede smaak. Ze volgde de mode. Of, liever, ze anticipeerde erop. Haar gele mocassins pasten niet goed bij het seizoen, dat buien dicteerde, en om gesloten schoenen vroeg. Ooit had Distel hoge laarzen gedragen, gemaakt van paars slangenleer. Het was kunstleer, destijds, en in die periode had Distel zelden gekregen wat ze wilde. Desondanks was alles goed gekomen. Een waardevolle les, voor hen die het horen wil.
Vroeger, wanneer ze samen naar de supermarkt gingen, liep de man altijd voorop. Dat was zijn achilleshiel: hij moest altijd de eerste zijn die een ruimte betrad. Door dit gedrag had Distel de rug van de man heel goed leren kennen. En de man, Distel moest het toegeven, had een schitterende rug gehad.
Zelfs na de breuk kon Distel zijn rug niet loslaten. Vaker dan haar lief was dacht ze aan de wijze waarop zijn schouders elke jas karakter gaven. Ze had naar hem verlangd, ze had diverse goden gevraagd om hem opnieuw op haar pad te brengen. En haar gebed was verhoord: op een dag, vrij recent nog, schreef hij haar een mail. De paddenstoelen had hij toen al ingenomen. Hij schreef Distel dat hij zoveel spijt had van wat hij haar had aangedaan. En dat hij, als ze er voor open stond, haar graag nog eens wilde zien.
Volgens haar zus, aan wie ze de mail had voorgelegd, moest Distel er niet op reageren. Ik lees geen vraag in dit bericht, zei die eerste wijselijk. Hij heeft geen interesse in jou als mens, maar in het opheffen van zijn schuldgevoel.
Maar Distel was een eigenwijze vrouw: natuurlijk reageerde ze op het bericht. De man had ook onmiddellijk teruggeschreven, help me, schreef hij. Distel kon niet anders dan gehoorzamen. Hij woonde nog altijd in hetzelfde huis, ze herkende het kraken van de trap toen ze naar zijn verdieping liep – dat oude, vertrouwde kraken. De man was toen al zo goed als stervende. Distel had hem nog heel even zien leven. Zijn levenslust, die hem op het laatste moment toch nog overrompelde, ontroerde haar diep.
Hij smeekte haar om hem bij zich te houden, om íets te doen waardoor hij toch nog leven kon.
De mens is altijd in staat om zichzelf te verbazen. Dat is het wonderlijke aan onze soort: onze arbitraire heldhaftigheid. En, in gelijke mate, onze arbitraire potentie om anderen geweld aan te doen. Het is geen kwestie van verstand. Op de momenten dat het echt telt, doet het lichaam enkel wat de natuur haar ingeeft. Met een scheermes had Distel twee volmaakte rechthoeken uit zijn rug gesneden. Zijn huid was toen al zo geel, het was onmenselijk. En precies de mode van het seizoen.
Die schitterende rug! Daar, in het gangpad van de soepen en conserven, waar het koopjes regende en niet vroor, hield de rug van de man Distels voeten warm. Schaamteloos keken de andere winkelaars naar beneden om Distels schoenen gade te slaan. Het waren afgrijselijke schoenen, er was niets modieus aan, maar noem eens een keer dat mensen ware liefde durfden te zien voor wat het was en het mooi vonden: de vrijwillige capitulatie van de ziel.
Romanschrijver en Libris Literatuurprijs-genomineerde Nadia de Vries (1991) schreef dit korte verhaal naar aanleiding van de tentoonstelling Geel. Meer dan Van Goghs lievelingskleur. Zij liet zich daarbij mede inspireren door boeken die aan de tentoonstelling of het thema zijn verbonden, waaronder The Yellow Wallpaper van Charlotte Perkins Gilman en The New Dress van Virginia Woolf.
Foto: Foto: Zazie Stevens
Een paar meisjesschoenen, maker onbekend, 1870–1914, leer, zijde en satijn, Kunstmuseum Den Haag