Daarnaast signeerde Van Gogh vaak werken die deel uitmaakten van een uitwisseling met bevriende kunstenaars. Iets opmerkelijks gebeurde daarbij met het stilleven Drie paar schoenen (1886, Harvard Art Museums/Fogg Museum, Cambridge, VS) dat Van Gogh met de Australische kunstenaar John Peter Russell ruilde: het werk bevat niet één maar twee handtekeningen.
Eén handtekening is vrij klein en nauwelijks zichtbaar ingekrast in Van Goghs gebruikelijke stijl. De tweede is rechtsboven in grote blokletters op het doek terechtgekomen in een handschrift dat sterk lijkt op dat van Russell.
Waarom Russell deze signatuur mogelijk zelf aanbracht, is niet bekend. Wellicht kon hij Van Goghs handtekening niet ontcijferen of vond hij die te bescheiden, en besloot hij de naam van zijn vriend een meer prominente plek te geven. Iets vergelijkbaars deed Russell namelijk op het portret dat hij datzelfde jaar van Van Gogh schilderde (1886, Van Gogh Museum).
In zeldzame gevallen gebruikte Van Gogh zijn handtekening om een schilderij te verbeteren, zoals bij Zeegezicht bij Les Saintes-Maries-de-la-Mer (1888, Van Gogh Museum). Voor zijn gevoel ontbrak er iets aan de kleurstelling. Daarom plaatste hij linksonder, zo schreef hij aan zijn broer, ‘een heel overdreven rode signatuur omdat ik een rode noot in het groen wilde hebben.’ (brief 660).
De handtekeningen van Van Gogh voegen aan zijn werken een extra dimensie toe, maar ook de afwezigheid ervan is betekenisvol. Vele late meesterwerken bleven ongesigneerd.
Na zijn opname in 1889 in de instelling van Saint-Rémy kwam zijn zelfbeeld steeds meer onder druk te staan. In deze periode plaatste hij bijna geen handtekeningen meer. In Auvers plaatste hij welgeteld één keer ‘Vincent’ op een schilderij: een portret dat hij cadeau deed aan de geportretteerde, Adeline Ravoux (Adeline Ravoux, 1890, privécollectie).