Engels aandenken voor Anna
Op het moment dat het nummer met het artikel over de Austin Friars kerk verscheen, begin juli 1877, woonde Vincent bij zijn oom Johannes ‘Jan’ van Gogh (1817-1885) in Amsterdam en was druk bezig met de voorbereidingen voor het toelatingsexamen van de studie Theologie. Destijds bevangen van het geloof, had hij het plan opgevat om net als zijn vader predikant te worden. In diezelfde julimaand maakte zijn zus Anna bekend een huwelijksaanzoek te hebben ontvangen van Joan van Houten. Vincent was daar zeer verheugd over. Het zou dus kunnen dat hij de gravure speciaal voor haar natekende, als herinnering aan de tijd die ze enkele jaren eerder samen doorbrachten in Londen en wellicht ook aan gezamenlijke bezoekjes aan die kerk. Om het vervolgens aan haar te overhandigen, in persoon of per post verstuurd vanuit Amsterdam.
Brieven van Vincent aan Anna zijn niet overgeleverd, maar, zo weten we uit een brief aan Theo van 9 juli 1877, hij heeft haar toen vanuit Amsterdam wel geschreven en gefeliciteerd: ‘Ook U [Theo] wensch ik met deze zaak geluk, gelijk ik het ook Anna en Pa en Moe deed’ [121]. Wellicht stuurde hij het tekeningetje toen ook mee, of overhandigde hij het iets later persoonlijk aan haar.
Begin augustus legden Anna en Joan namelijk familiebezoeken af in Amsterdam, waarbij zij ook Vincent in zijn studeerkamertje opzochten. ‘Mij dunkt uit dat gezigt en die oogen van van Houten spreekt hart en karakter’, schreef hij kort daarop aan Theo, en vervolgde met stichtelijke woorden: ‘moge zij eene goede keuze hebben gedaan en de tijd daar Liefde van maken die niet vergaat maar onze beste zuster door het leven brengende, alles bedekkende en verdragende en de hoop en het Geloof behoudende’ [126]. Later zou de relatie tussen Vincent en zijn oudste zus aanzienlijk bekoelen.
Geconcludeerd kan worden dat hij de tekening in elk geval na de eerste week van juli 1877 heeft gemaakt en niet gedurende een van de jaren tijdens zijn verblijf in Engeland, zoals eerder werd verondersteld. Deze vondst bevestigt bovendien de veronderstelling van Bailey en Van Heugten dat de tekening gemaakt kon zijn naar een prent.