Zeven thema's van de presentatie 'Vincent. Het Van Gogh Museum in de Hermitage Amsterdam'

Van Goghs artistieke ontwikkeling loopt in zeven thema’s door Vincent. Het Van Gogh Museum in de Hermitage Amsterdam. Ontdek waar zijn fascinatie voor deze thema’s vandaan kwam en welke betekenis hij ze gaf in de werken. Lees hieronder meer over de thema's en bekijk de video's waarin conservator schilderijen Leo Jansen de thema's uitlicht aan de hand van één schilderij.


Thema 1: Oefening baart kunst

Van Gogh noemde zijn schilderijen meestal ‘studies’. Daarmee gaf hij aan dat ze bedoeld waren als een poging om een bepaald technisch aspect of een motief onder de knie te krijgen. Zo heeft hij een reeks van tekeningen gemaakt van handen van boeren die dienden ter voorbereiding op zijn meesterproef het befaamde schilderij De aardappeleters (1885). Ook in Frankrijk experimenteerde hij met nieuwe technieken. Zelfs in de laatste maand van zijn leven bestudeerde hij in een schilderij als Korenaren (1890) het motief om het als achtergrond te gebruiken in een portret. Oefenen en experimenteren bleef Van Gogh altijd doen, want een kunstenaar was in zijn ogen nooit volleerd: 'Ik maak steeds wat ik nog niet kan om het te leeren kunnen.’




Thema 2: Een eigen stijl

In de korte tijd dat hij werkzaam was als kunstenaar experimenteerde Van Gogh met allerlei stijlen om tot een uiterst persoonlijke stijl en toets te komen waarmee hij uiteindelijk wereldberoemd zou worden. In de verschillende fases van zijn kunstenaarschap liet hij zich inspireren door andere kunstenaars. Zo werd hij in Parijs beïnvloed door de stijl van de impressionisten en pointillisten, maar laat het werk Montmartre: achter de Moulin de la Galette (1887) goed zien dat hij uiteindelijk een eigen manier van schilderen koos.



Thema 3: Het effect van kleur

Van Gogh was altijd bezig met het effect van zijn kleurgebruik in tekeningen en schilderijen. In schilderijen zoals Kweeperen, citroenen, peren en druiven (1887) maar ook Zonnebloemen (1889) onderzocht hij de verschillende gradaties van één kleur. In andere schilderijen liet hij bepaalde kleuren met elkaar een dialoog aangaan, alles ten behoeve van een overtuigende expressie. Mooie voorbeelden hiervan zijn de schilderijen De stoel van Gauguin (1888) en Irissen (1890). Hij raakte er steeds meer van overtuigd dat kleur ook uit zichzelf iets uitdrukt. Het was voor hem het ideale middel om een gevoel of sfeer mee weer te geven.




Thema 4: Boerenschilder

Het boerenleven was in Van Goghs visie verbonden met eenvoud, eeuwigheid en wedergeboorte. Het thema speelde gedurende zijn gehele kunstenaarschap een belangrijke rol, met name in de perioden dat hij in Nuenen en de Provence verbleef. In 1885 schreef hij zijn broer Theo 'Als ik zeg dat ik een boerenschilder ben, is dat werkelijk zoo.'. Daarmee trad hij in de voetsporen van Jean-François Millet, de meester van het boerengenre.



Thema 5: Met het oog op Japan

De Japanse kunst was van grote invloed op Van Gogh: zowel de onderwerpen als de compositorische en stilistische principes werden een belangrijke inspiratiebron voor hem. In 1888 zou hij vanuit Arles zelfs aan Theo schrijven: ‘Al mijn werk berust enigszins op japonaiserieën.’. Bij zijn eerste kennismaking met de Japanse prentkunst maakte hij kopieën van beroemde prenten zoals Brug in de regen (1887) van Hiroshige maar al snel verwerkt hij typische Japanse elementen zoals perspectief en kleurgebruik in zijn eigen stijl. Dit is goed te zien in schilderijen zoals De oogst (1888) en De brug van Langlois (1888).





Thema 6: Het moderne portret

In Auvers schreef Van Gogh: ‘Wat me het meeste, veel en veel meer dan al het andere, in mijn beroep boeit – dat is het portret, het moderne portret.’ Hij streefde ernaar in portretten de geest van zijn tijd tot uitdrukking te brengen, waarbij de uitvoering ook nog eens heel expressief was, zoals Van Gogh eigen was. In het begin van zijn carrière was Van Gogh vooral bezig met hoe hij ‘koppen’ van mensen zou weergeven. Dit is terug te zien in de vele studies die hij van hen maakte. Langzaam maar zeker veranderden Van Goghs ideeën over het portret. Hij wilde in Arles ‘moderne portretten’ maken, waarin het temperament van zijn model tot zijn recht kwam. Voorbeelden hiervan zijn De zoeaaf (1888) en Portret van Camille Roulin (1888).






Thema 7: De rijke natuur

In Van Goghs persoonlijke leven en in zijn kunst speelde de natuur een zeer belangrijke rol. De natuur gaf hem veel kracht en rust. Doordat Van Gogh het begrip natuur breed opvatte was die voor hem altijd dichtbij. Hij schilderde overwoekerde tuinen, bloeiende boomgaarden en eindeloze korenvelden. Ook de mens is daarin nooit ver weg. Hij streefde naar een eigen, doorvoelde visie op de natuur: soms diepgaand en aan religie grenzend, soms vrolijk en licht.



Copyright 2005-2014 - Van Gogh Museum | Colofon | Disclaimer | Links