Martien van Goor

Van Goor

Martien van Goor werd geboren in Haarlem in 1944. Na de HTS studeerde hij aan de Academie voor Bouwkunst in Amsterdam. Al tijdens zijn studie werkte hij bij Onno Greiner waarvan hij in 1981 compagnon werd. Sinds 1995 is Martien van Goor directeur-eigenaar van het bureau. In januari 2001 werd Eric Huijten zijn compagnon.

Naast het Van Gogh Museum heeft Martien van Goor ook de renovatie en uitbreiding van het Rijksmuseum van Oudheden in Leiden ontworpen. Andere afgeronde renovatieprojecten zijn het hoofdkantoor van de KLM (nationale renovatieprijs 1993) en de renovatie van gebouw De Volharding in Den Haag. Hij ontwierp de uitbreiding van het raadhuis Velsen (oorspronkelijk ontwerp W.M. Dudok) en samen met Onno Greiner ontwierp hij het nieuwe toneelhuis voor Carré. Daarnaast was hij lid van de programmacommissie van ARCAM (1989-1999), voorzitter werkgroep psychiatrie van de STAGG en lid van het OISTAT-organisatiecomité van de Nederlandse inzending voor de Praagse Quadriënnale 1999 en 2003.

Momenteel werkt hij onder meer aan de nieuwbouw psychiatrie bij het AMC en aan de Grote Podiumaccomodatie in Zwolle, die in september 2006 in gebruik moet worden genomen.

Martien van Goor over de renovatie.

De renovatie en uitbreiding van het Van Gogh Museum is mijn eerste museumproject. Wij hadden op ons bureau natuurlijk al veel ervaring op het gebied van publieke gebouwen, met name theaters. Dat was ook de reden dat wij uitgenodigd werden voor de meervoudige opdracht die de Rijksgebouwendienst en het Van Gogh Museum uitschreven om een architect te kiezen.

Het renovatieproject omvat een aantal zeer verschillende aspecten van het gebouw. Om te beginnen de samenvoeging van het Rietveldgebouw met de nieuwe tentoonstellingsvleugel van Kurokawa. Ogenschijnlijk twee losse gebouwen waar de wandelaars op het Museumplein tussendoor kunnen lopen. De opgave was het ontwerpen van een knooppunt waarin het entreeniveau van het bestaande gebouw verbonden zou worden met het 7,5 meter lager gelegen entreegebied van de nieuwe tentoonstellingsvleugel. Op een tussenniveau bevindt zich bovendien nog het auditorium. Om de bezoekers overzicht te geven en duidelijk te maken waar men zich in het gebouw bevindt, heb ik een vide ontworpen waarin de 3 niveaus zichtbaar zijn. Een roltrap verbindt de 2 hoofdniveaus direct met elkaar; een glazen lift en trappen alle drie de niveaus.

De vide is een halve cilinder: een zelfstandige vorm tussen de twee gebouwen. Bovendien een compacte vorm, want er was weinig ruimte beschikbaar voor dit belangrijke centrum.

Omdat het museum een veelvoud aan bezoekers ontvangt van waarvoor het oorspronkelijk is ontworpen - het bezoekersaantal is gegroeid van 70.000 naar meer dan 1 miljoen per jaar - moest het entreegebied ingrijpend worden gewijzigd. In tegenstelling tot het museale deel van het gebouw was dit wel ‘hokkerig’. Het deed niet mee met de ruimtelijke opbouw van ruimtes van verschillende grootte die rondom de centrale vide (de ‘longen’ van het gebouw) gegroepeerd zijn.De begane grond is opengemaakt waardoor aan de centrale vide een ruime ontvangstruimte ontstond met langs de gevel de garderobe en de winkel. Ook andere praktische problemen zoals bereikbaarheid, bodem, enzovoort zijn zo opgelost dat de ruimtelijkheid van het gebouw niet wordt verstoord.

De klimaateisen maakten een groot aantal bouwfysische aanpassingen aan het gebouw noodzakelijk. Voor wat betreft de afwerking van het gebouw zijn met name de plafonds gewijzigd. Gekozen is voor aluminiumkleurig plafond in verband met het rustige beeld dat dit oplevert en de vermindering van reflectie.

Op de eerste verdieping kon de oorspronkelijke museumruimte weer teruggebracht worden: een deel van het gebouw was in gebruik als depot, wat met de uitbreiding niet meer nodig is.

Ook de hoeveelheid kantoorruimte was onvoldoende en moest dus worden uitgebreid. De maatvoering en massa-opbouw van het bestaande museum leverde twee varianten op. Gekozen is voor een hoge smalle variant op het reeds aanwezige kantoorblok. Dit past het beste in de omgeving met de nieuwe tentoonstellingsvleugel, de uitbreiding van het Stedelijk Museum en de aanwezige monumentale bomen op het Sandbergplein. Het kantoor is vorm-gegeven als een abstract volume dat meedoet in het spel van kubistische vormen waaruit het museum is opgebouwd. Op deze wijze blijft de traptoren als zelfstandig element herkenbaar. Het abstracte karakter van het kantoor-blok wordt bereikt door de gevel als een glazen vlak 60 centimeter buiten de constructie aan te brengen. Je zou kunnen zeggen dat een glazen stolp over het gebouw is gezet. Een andere belangrijke wijziging van de gevel betreft de laagbouw aan de Museumpleinzijde. Deze schuinlopende gevel is als een vrijstaand scherm uitgewerkt waarmee het duidelijker dan eerst een eigen vorm krijgt ten opzichte van de hoger opgaande bouwmassa.

Meer informatie: www.ggharchitecten.nl

Copyright 2005-2014 - Van Gogh Museum | Colofon | Disclaimer | Links