Aan Theo van Gogh

Waarde Theo,


Ik kom thuis na een dag op Montmajour en mijn vriend de tweede luitenant heeft me gezelschap gehouden. We hebben dus met z’n tweeën de oude tuin verkend en er verrukkelijke vijgen gestolen. Als het groter was geweest, had het doen denken aan het Paradou van Zola, lange rietstengels, wijnranken, klimop, vijgenbomen, olijfbomen, granaatappelbomen met vettige bloemen van het felste oranje, honderdjarige cypressen, essen en wilgen, steeneiken. Half verwoeste trappen, ingestorte spitsboogvensters, witte rotsblokken begroeid met korstmos en ingestorte stukken muur her en der verspreid in het groen; ik heb er nog een grote tekening van meegebracht. Echter niet van de tuin. Dat brengt het op 3 tekeningen; als ik er een half dozijn heb, stuur ik ze op.

Gisteren ben ik in Fontvieille geweest om Boch en MacKnight op te zoeken, maar die heren waren voor een week vertrokken voor een reisje naar Zwitserland.

Ik geloof dat de warmte me nog altijd goed doet, ondanks de muggen en de vliegen.

De cicades – niet die van bij ons, maar zoals deze

– je ziet ze in de Japanse albums. Verder Spaanse vliegen, goud en groen, in zwermen in de olijfbomen. Deze cicades (ik geloof dat ze cicada heten) zingen minstens even hard als een kikker.

Ik heb er nog eens over nagedacht dat ik – als je je bedenkt dat ik een portret heb gemaakt van père Tanguy (dat hij nog heeft), van mère Tanguy (dat ze hebben verkocht), van hun vriend (weliswaar heeft hij mij voor dat laatste portret 20 francs betaald), dat ik zonder korting voor 250 francs verf bij Tanguy heb gekocht, waarop hij natuurlijk winst heeft gemaakt, dat ik tenslotte niet minder een vriend van hem ben geweest dan dat hij van mij was – de meest serieuze redenen heb om te twijfelen aan zijn recht om geld van me te eisen dat waarachtig al verrekend is met de studie die hij nog van me heeft, te meer daar de uitdrukkelijke voorwaarde is dat hij betaald zou worden uit de opbrengst van een schilderij. Xantippe, mère Tanguy en andere dames hebben door een vreemde gril van de natuur hersenen van silex of vuursteen. Ongetwijfeld zijn deze dames voor de beschaafde kringen waarin zij verkeren veel schadelijker dan de burgers die door een dolle hond zijn gebeten en in het Institut Pasteur zitten. Père Tanguy zou dus groot gelijk hebben als hij zijn dame van kant maakte.... maar hij doet het niet, evenmin als Socrates......

En om die reden heeft père Tanguy – gezien zijn berusting en zijn groot geduld – meer gemeen met de christelijke martelaren en slaven uit de oudheid dan met de moderne pooiers in Parijs.

Dat neemt niet weg dat er geen enkele reden is om hem 80 francs te betalen, maar er zijn wel redenen om nooit meer boos op hem te worden, zelfs niet als hij boos zou worden wanneer we hem, in dit geval terecht, de deur uit gooien of hem tenminste botweg afschepen.

Ik schrijf tegelijkertijd aan Russell – wij weten waarschijnlijk wel, nietwaar, dat de Engelsen, de yankees etc. met de Hollanders gemeen hebben dat hun naastenliefde – – ................... zeer christelijk is. Welnu, wij die geen al te goede christenen zijn........... Ik kan het niet laten dat te denken, nu ik hem nog eens schrijf.

Die Boch heeft een beetje de kop van een Vlaamse edelman uit de tijd van het Verbond der Edelen, uit de tijd van de Zwijger en van Marnix. Het zou me helemaal niet verbazen als hij een goed mens was.

Ik heb Russell geschreven dat ik voor onze ruil mijn zending, opgerold, rechtstreeks naar hem toe zou sturen, als ik wist dat hij in Parijs was.

Op die manier moet hij me in ieder geval een dezer dagen antwoorden.

Nu heb ik binnenkort weer doek en verf nodig. Maar ik heb het adres nog niet waar je dat doek van 40 francs per 20 meter kunt krijgen.

Ik denk dat ik er goed aan doe om op dit moment vooral aan tekeningen te werken en ervoor te zorgen dat ik verf en doek in voorraad heb voor als Gauguin komt. Ik zou wel willen dat ik me met verf net zo weinig hoefde in te tomen als met pen en papier.

Omdat ik bang ben verf te verspillen, verknoei ik vaak een geschilderde studie.

Met papier – als het niet een brief is die ik schrijf, maar een tekening die ik maak – mislukt het bijna nooit: zoveel vellen Whatman, zoveel tekeningen. Ik geloof dat ik als ik rijk was, minder zou uitgeven dan nu.

Enfin, père Martin zou zeggen: dan moet je zorgen dat je rijk wordt, en hij heeft gelijk, net als met dat meesterwerk.

Herinner jij je uit Guy de Maupassant die man die jaagt op konijnen en ander wild, die 10 jaar lang zoveel had gejaagd en zich bij het achter het wild aan rennen zo had afgebeuld dat hij op het moment dat hij wilde trouwen, geen stijve meer kon krijgen, wat bij hem de grootste ongerustheid en ontsteltenis veroorzaakte.

Zonder in de situatie van deze mijnheer te zijn wat moeten of willen trouwen betreft, begin ik lichamelijk gezien op hem te lijken. Volgens de voortreffelijke meester Ziem wordt een man ambitieus zodra hij geen stijve meer kan krijgen. Welnu, hoewel het mij min of meer om het even is of ik een stijve kan krijgen of niet, protesteer ik als ik daardoor onherroepelijk ambitieus zou moeten worden.

Alleen de grootste filosoof van zijn tijd en van zijn land en dientengevolge van alle landen en van alle tijden – de voortreffelijke meester Pangloss – zou me, als hij hier was, advies kunnen geven en mijn geest gerust kunnen stellen.

Ziezo – de brief voor Russell zit in de enveloppe en ik heb geschreven wat ik dacht.

Ik heb hem gevraagd of hij iets van Reid had gehoord en ik vraag jou hetzelfde.

Ik heb Russell gezegd dat hij geheel vrij is om te nemen wat hij wil, ook uit de eerste zending. En dat ik alleen op een afdoend antwoord wachtte om te weten of hij bij hem thuis of bij jou zijn keus wilde maken. Dat in het eerste geval, als hij ze bij hem thuis wilde zien, jij hem ook enkele boomgaarden zou sturen. En dat je alles weer zou laten ophalen als hij zijn keus had gemaakt. Dus daar kan hij niets op tegen hebben. Als hij geen Gauguin neemt, is dat omdat hij het niet kan. Als hij het kan, ben ik geneigd te hopen dat hij het zal doen.

Ik heb hem gezegd dat ik zo durfde aan te dringen op een aankoop, niet omdat het zonder hem niet door zou gaan, maar omdat het, nu Gauguin ziek is geweest en gezien het ongunstige feit dat hij in bed heeft gelegen en zijn dokter moest betalen, voor ons nogal zwaar was en we er des te meer op gebrand waren een liefhebber te vinden voor een schilderij.

Ik denk veel aan Gauguin en zou veel ideeën hebben voor schilderijen en voor het werk in het algemeen. Ik heb tegenwoordig een werkster die voor 1 franc 2 maal per week het huis veegt en boent; ik heb veel hoop op haar gevestigd om erop te kunnen rekenen dat zij onze bedden zal opmaken, als we besluiten thuis te gaan slapen. Anderzijds is er misschien een regeling mogelijk met de man bij wie ik tegenwoordig logeer. Enfin, we zullen proberen eraan te werken dat het al met al een besparing oplevert in plaats van een uitgave.

Hoe gaat het nu met je gezondheid? Ga je nog naar Gruby?

Wat je zei over dat gesprek in la Nouvelle Athènes, is interessant. Je kent wel het portretje van Desboutin dat Portier heeft. Het is inderdaad een vreemd verschijnsel dat alle kunstenaars, dichters, musici, schilders, materieel gezien ongelukkig zijn – de gelukkige ook –, wat je onlangs over Guy de Maupassant zei, bewijst het eens te meer. Dat doet weer de eeuwige vraag rijzen: is het leven in zijn geheel zichtbaar voor ons of kennen wij er vóór de dood slechts één halfrond van?

De schilders – om alleen over hen te spreken – spreken als ze dood en begraven zijn via hun werk tot een nieuwe generatie of tot verschillende nieuwe generaties. Is dat alles of is er zelfs nog meer? In het leven van een schilder is de dood misschien niet het moeilijkste wat er is.

Ik voor mij verklaar dat ik er helemaal niets van afweet. Maar de aan blik van de sterren zet me altijd aan het dromen, even gemakkelijk als ik tot dromen word aangezet door de zwarte stippen die op een landkaart de steden en dorpen aangeven.

Waarom, denk ik dan, zouden de lichtende punten aan het firmament minder toegankelijk voor ons zijn dan de zwarte stippen op de kaart van Frankrijk?

Als we de trein nemen om naar Tarascon of Rouen te gaan, dan nemen we de dood om naar een ster te gaan. Iets wat in deze redenering zeker waar is, is dat wij tijdens ons leven niet naar een ster kunnen gaan. Evenmin als we na onze dood de trein kunnen nemen. Enfin, het lijkt mij niet onmogelijk dat cholera, nierstenen, tering en kanker hemelse vervoersmiddelen zijn zoals stoomboten, omnibussen en treinen aardse vervoermiddelen zijn.

Rustig van ouderdom sterven is dan te voet daarheen gaan.

Nu ga ik naar bed, want het is laat en ik wens je goedenacht en veel geluk.

Met een handdruk.


t. à t.
Vincent